Woordenlijst darts
Heb je een term gehoord aan het bord of tijdens het kijken naar een wedstrijd? Hier lees je wat hij betekent, van je eerste leg tot een Big Fish-checkout.
0–9
- 3-dartgemiddelde
-
Je gemiddelde aantal punten per 3 darts. Deel de gescoorde punten door het aantal gegooide darts en vermenigvuldig de uitkomst met 3.
Je gooit 180 met je eerste 3 darts en 60 met de volgende 3. Je 3-dartgemiddelde is dan (180 + 60) ÷ 6 × 3 = 120.
Rekenvoorbeelden voor het 3-dartgemiddelde Voorbeeld Berekening 3-dartgemiddelde 501 uitgegooid met 18 darts (501 ÷ 18) × 3 83,50 300 punten gescoord met 12 darts (300 ÷ 12) × 3 75,00 - 9-darter
-
Een 501-leg die in 9 darts wordt uitgegooid. Minder darts is niet mogelijk.
Een gebruikelijke route is 180 (, , ), 180 (, , ) en daarna 141 (, , ).
- 121 Checkout
-
Een checkoutoefening die begint bij 121. Lukt de checkout binnen een vast aantal pijlen, dan gaat het volgende doel omhoog; bij een mislukte poging ga je terug naar de startscore of naar een beschermd doel (safehouse).
- 301
-
Een korter aftelspel dat begint bij 301 punten. Je wint door precies op nul uit te komen, meestal door uit te gooien op een dubbel. Bij sommige spelvormen moet je ook met een dubbel beginnen.
Een 6-dartleg: 180 (, , ), daarna 121 (, , ).
- 501
-
Een aftelspel dat begint bij 501 punten. Je trekt na elke beurt je score af en moet precies op nul uitkomen, normaal gesproken door uit te gooien op een dubbel.
A
- Auto-scoring
-
Het automatisch detecteren en bijhouden van dartscores. Apps zoals DartsOn kunnen de camera van je telefoon en AI op het toestel zelf gebruiken om af te lezen waar je pijlen terechtkomen en de score voor je bij te werken.
B
- Barrel
-
Het hoofdgedeelte van een dart, dat je bij het gooien vasthoudt.
- Bed
-
Een afzonderlijk scorevak op het bord, zoals het bed van .
- Bed and breakfast
-
Een score van 26 met , en in dezelfde beurt.
- Best of
-
Een wedstrijdvorm waarbij je meer dan de helft van de beschikbare legs of sets moet winnen.
Bij best of 7 legs wint wie als eerste 4 legs heeft gewonnen.
- Beurt
-
Je kans om maximaal 3 pijlen te gooien voordat de volgende speler gooit. Een checkout of een bust beëindigt de beurt voortijdig.
- Big Fish
-
Een checkout van 170: , en daarna . Het is de hoogst mogelijke checkout met 3 darts bij double-out.
- Bob's 27
-
Een oefenspel voor dubbels dat begint met 27 punten. Gooi 3 pijlen op elke dubbel, van tot en met , en daarna op de bullseye. Tel voor elke treffer de waarde van het doel op; trek die waarde één keer af als alle 3 pijlen missen.
- Bogey number
-
Een score onder 170 die je niet met 3 darts kunt uitgooien als je op een dubbel moet eindigen. De bogey numbers zijn 169, 168, 166, 165, 163, 162 en 159.
- Bounce-out
-
Een dart die het bord raakt maar er niet in blijft steken. Bij steel-tip darts levert zo'n dart geen punten op en mag je hem niet opnieuw gooien.
- Break of throw
-
Een leg winnen waarin je tegenstander als eerste gooide.
- Bull-up
-
Op de bull gooien om te bepalen wie begint. De dart die het dichtst bij de bull zit, wint. Bij een gelijke stand wordt opnieuw gegooid volgens de wedstrijdregels.
- Bullseye
-
Het midden van het bord, goed voor 50 punten. De bullseye telt als , dus je kunt er een leg met double-out mee uitgooien.
- Bust
-
Bij double-out: te veel punten gooien, 1 punt overhouden of op nul uitkomen zonder dubbel. Je beurt eindigt en je score gaat terug naar de stand van vóór die beurt. De caller kan een bust omroepen als "No score".
C
- Calibration
-
Het koppelen van de positie van het dartbord in het camerabeeld aan de scorevlakken, zodat auto-scoring kan vaststellen waar pijlen terechtkomen.
- Caller
-
De wedstrijdofficial die de scores omroept en een winnende finish aankondigt. In DartsOn is de caller de stem die worpen, beurttotalen en gebeurtenissen in de wedstrijd omroept.
- Checkout
-
De worp of reeks worpen waarmee je je resterende score naar precies nul brengt. Bij standaard 501 moet de laatste dart een dubbel raken.
- Checkoutpercentage
-
Het deel van je pogingen om uit te gooien dat slaagt. Statistieken per dart tellen de darts die op een winnende dubbel zijn gegooid. Statistieken per beurt tellen de kansen om uit te gooien per beurt. Ga dus na welke berekening wordt gebruikt.
4 raak gegooide darts op een winnende dubbel uit 10 pogingen geven een checkoutpercentage per dart van 40%.
- Checkouttrainer
-
Een oefenmodus waarin je willekeurig gekozen scores probeert uit te gooien binnen een vast aantal pijlen. Anders dan bij 121 Checkout lopen de doelen niet trapsgewijs op.
- Count Up
-
Een scorespel dat begint bij nul. Tel de score van elke pijl op en probeer in een vast aantal rondes het hoogste totaal te halen, of speel door tot iemand een afgesproken doelscore bereikt.
- Cover shot
-
Een worp op een ander doel omdat een dart je gebruikelijke doel afschermt. Vaak stap je dan over van naar .
- Cricket
-
Een spel met de nummers 15 tot en met 20 en de bull (zowel de outer bull als de bullseye). Verzamel 3 marks om elk doel te sluiten en scoor punten op doelen die je tegenstanders nog niet hebben gesloten. Je wint als je alle doelen hebt gesloten en minstens evenveel punten hebt als elke tegenstander.
- Cut Throat Cricket
-
Een Cricketvariant waarin punten worden bijgeschreven bij tegenstanders die het doel nog niet hebben gesloten. Je wint als je alle doelen hebt gesloten en de laagste score hebt, of gedeeld de laagste.
D
- De klok rond
-
Een spel waarin spelers de nummers 1 tot en met 20 op volgorde raken en daarna eindigen op de bull. Je moet het huidige doel raken voordat je naar het volgende gaat.
- Decider
-
De laatste leg of set die bij een gelijke stand de wedstrijd beslist.
- Double-in
-
Een startregel waarbij je eerst een dubbel moet gooien voordat je kunt scoren. Die dubbel en alle darts daarna tellen mee voor je totaal.
- Double-out
-
Een eindregel waarbij je laatste dart een dubbel moet raken en je score precies op nul moet brengen.
- Doubles
-
Een oefenspel waarin spelers de dubbels op volgorde moeten raken, meestal van tot en met . Raak je de huidige dubbel, dan ga je door naar de volgende; wie als eerste alle doelen heeft voltooid, wint.
- Dubbel
-
De smalle buitenste scorering, goed voor het dubbele van het geraakte getal. is 40 punten waard.
E
- Eerst naar
-
Een wedstrijdvorm die je wint door als eerste een vastgesteld aantal legs of sets te winnen.
Eerst naar 5 legs eindigt zodra een van beide spelers 5 legs heeft gewonnen.
- Eindregel
-
De voorwaarde waaraan je laatste pijl moet voldoen om een X01-leg precies op nul uit te gooien. Bij Straight-out mag dat met elke scorende pijl; Double-out vereist een dubbel en Master-out staat een dubbel of triple toe.
F
- Fat single
-
Een groot scorevlak voor singles, meestal het buitenste bed tussen de triple- en de dubbelring. Je hebt er meer ruimte om op te mikken dan bij een dubbel of triple.
- Finishlijst
-
Een overzicht met aanbevolen routes naar nul, die meestal op een dubbel eindigen.
- Finishroute
-
Een reeks doelen die je resterende score met de beschikbare pijlen precies op nul brengt, volgens de gekozen eindregel.
- Flight
-
De vin achter aan een pijl die helpt om de pijl in de lucht stabiel te houden.
- Full bull
-
Een scoreregel waarbij zowel de bullseye als de outer bull 50 punten oplevert. Deze regel is gebruikelijk bij soft-tip X01-spellen in Azië en de VS.
G
- Game shot
-
De aankondiging van de caller dat een speler de leg heeft gewonnen.
- Gemiddelde over de eerste 9 darts
-
Je 3-dartgemiddelde over de eerste 9 darts van elke X01-leg. Het laat zien hoe sterk je een leg opent.
- Gemiddelde over de eerste 12 darts
-
Je 3-dartgemiddelde over de eerste 12 darts van elke X01-leg. Het geeft aan hoe je scoort in het begin van de leg.
- Gemiddelde over de eerste 15 darts
-
Je 3-dartgemiddelde over de eerste 15 darts van elke X01-leg. Het geeft aan hoe je scoort in het begin van de leg.
- Groeperen
-
Hoe dicht je pijlen bij elkaar in het bord terechtkomen. Als je strak groepeert, zitten je pijlen dicht bij elkaar.
H
- Half It
-
Een spel met elke ronde een ander doel om op te scoren. Treffers leveren punten op, maar als je met alle 3 pijlen het doel mist, wordt je score tot dan toe gehalveerd.
- Handicap
-
Een aanpassing waarmee spelers van verschillend niveau het tegen elkaar kunnen opnemen. Bij X01 in DartsOn kan een speler een andere startscore, startregel of eindregel krijgen.
- Heatmap
-
Een weergave van het dartbord die laat zien waar je pijlen terechtkwamen. Hoe feller de kleur, hoe meer treffers op die plek, zodat je makkelijker ziet waar je pijlen gegroepeerd zitten en waar je mist.
- Hold of throw
-
Een leg winnen waarin jij als eerste gooide.
J
- JDC Challenge
-
Een precisie-uitdaging van 57 pijlen met Shanghairondes op 10 tot en met 15, een dubbelronde en Shanghairondes op 15 tot en met 20. Punten en bonussen vormen samen de eindscore.
K
- Killer
-
Een afvalspel waarin elke speler een eigen nummer heeft. Raak je eigen nummer om killer te worden en raak daarna de nummers van je tegenstanders om hun levens af te nemen. De laatste speler die nog een leven over heeft, wint.
L
- Leg
-
Eén spel darts. In 501 loopt een leg van de beginscore van 501 tot een speler precies op nul uitgooit.
M
- Madhouse
-
Een bijnaam voor , de dubbel die je nodig hebt als je nog 2 punten over hebt.
- Mark
-
Een treffer die meetelt voor het sluiten van een doel in Cricket. Een single levert 1 mark op, een marks en een marks. De outer bull levert 1 mark op en de bullseye 2.
- Marker
-
Een pijl die al dicht bij je doel zit en waarop je je volgende worp afstemt. Marker kan ook de schrijver betekenen, die de scores bijhoudt.
- Master-in
-
Een startregel bij X01 waarbij je een dubbel of triple moet gooien voordat je kunt scoren. Die pijl en alle pijlen daarna tellen mee voor je totaal.
- Master-out
-
Een eindregel bij X01 waarbij je laatste pijl een dubbel of triple moet raken en je score precies op nul moet brengen.
- Match dart
-
Een pijl waarmee je de hele wedstrijd kunt winnen als hij de vereiste finish raakt.
- Max. rondes
-
Een limiet voor het aantal rondes dat in een leg of spel wordt gespeeld. Wordt die limiet in X01 bereikt, dan wint de laagste resterende score. Bij een gelijke stand volgt een verlenging.
- Maximum
-
Een score van 180 in één beurt, behaald door met alle 3 pijlen te raken.
- MPR
-
Een scoregemiddelde bij Cricket, uitgedrukt in marks per beurt van 3 pijlen.
Twee triples en een misser in één beurt leveren 6 marks op, oftewel 6 MPR.
- Multi-camera scoring
-
Automatisch scoren waarbij de beelden van meer dan één camera worden gecombineerd. Vanuit verschillende hoeken worden pijlen zichtbaar die voor een van de camera's verborgen zitten.
N
- No Score Cricket
-
Een Cricketvariant zonder punten. Wie als eerste op elk doel 3 marks heeft verzameld, wint.
O
- Occluded dart
-
Een pijl waarvan de punt voor de camera deels of helemaal verborgen zit achter een andere pijl. Auto-scoring kan zo'n pijl over het hoofd zien tot de pijl die het zicht blokkeert, is weggehaald.
- Oche
-
De lijn waarachter je staat als je gooit. Oche spreek je uit als hockey zonder de h.
- Open (Cricket)
-
Een doel dat open is om op te scoren: jij hebt er 3 marks op, maar minstens één tegenstander heeft er minder. Zodra iedereen er 3 marks op heeft, kan niemand er nog op scoren.
- Outer bull
-
De ring rond de bullseye, goed voor 25 punten. Hij telt als single, dus je kunt er bij double-out geen leg mee uitgooien.
P
- PPD
-
Je gemiddelde score per pijl. Deel het totaal aantal gescoorde punten door het aantal gegooide pijlen. Een 3-dartgemiddelde van 60 staat gelijk aan 20 PPD.
- PPR
-
Je gemiddelde aantal gescoorde punten per beurt van 3 pijlen. PPR staat voor points per round, oftewel punten per ronde.
Met 60, 100 en 80 in 3 volledige beurten kom je op een PPR van 80.
- Punt
-
Het voorste uiteinde van een pijl dat in het bord steekt, gemaakt van staal of plastic.
- Punt
-
Een eenheid van de score bij darts. levert 20 punten op; levert er 60 op. Dit is iets anders dan de punt aan de voorkant van een pijl.
R
- Random Cricket
-
Een Cricketvariant met 6 willekeurig gekozen nummers en de bull (beide ringen), in plaats van de gebruikelijke 15 tot en met 20 en de bull. De regels voor marks en scoren blijven hetzelfde.
- Robin Hood
-
Een pijl die blijft steken in een andere pijl die al in het bord zit. Hij scoort niet, tenzij zijn eigen punt het scoreoppervlak raakt.
- Ronde
-
In spellen met meerdere spelers is een ronde één beurt voor elke speler. In sommige oefenspellen staat een ronde voor één doel of uitdaging en kan die meerdere beurten omvatten.
- Ronde laten uitspelen
-
Een optie waarmee de overige spelers de ronde nog kunnen afmaken nadat iemand het spel heeft voltooid. Bij X01 bepaalt dit de tweede, derde en volgende plaatsen. Bij De klok rond worden de spelers die het spel voltooien gerangschikt op het kleinste aantal pijlen.
- Round the World
-
Een eenvoudigere versie van De klok rond. Raak de nummers 1 tot en met 20 op volgorde en eindig daarna op de bull. Per nummer is één treffer in welke ring dan ook genoeg. Om te eindigen telt zowel de outer bull als de bullseye.
S
- Safehouse
-
Een beschermd doel in 121 Checkout waarnaar je terugkeert als een latere checkout mislukt. De spelregels bepalen welke geslaagde checkouts een safehouse opleveren.
- Schrijver
-
De persoon die de score van elke speler bijhoudt, van oudsher op een krijtbord.
- Set
-
Een groep legs binnen een wedstrijd. In een set van best of 5 legs gaat de set naar de speler die als eerste 3 legs wint.
- Set-up shot
-
Een worp waarmee je voor je volgende beurt een finish overhoudt, vaak op een dubbel die je graag gooit.
- Shaft
-
Het deel van een pijl dat de barrel met de flight verbindt.
- Shanghai
-
Een single, dubbel en triple van hetzelfde nummer in één beurt. In het spel Shanghai heeft elke ronde een doelnummer: scoor in totaal de meeste punten, of gooi een Shanghai om direct te winnen.
, en leveren 20 + 40 + 60 = 120 op.
- Single
-
Een groot scoregebied dat evenveel punten waard is als het getal dat op het bord staat. levert 20 op.
- Singles
-
Een oefenspel waarin spelers de nummers op volgorde afwerken, meestal 1 tot en met 20, en daarbij mikken op de singles. Elke treffer op het huidige nummer brengt je een stap verder, en dubbels en triples leveren bonuspunten op. De eerste speler die alle doelen heeft afgerond, wint.
- Sluiten
-
Bij Cricket 3 marks op een doel verzamelen. Zodra elke speler een doel heeft gesloten, kan niemand er nog op scoren. Bij Cut Throat Cricket zorgt sluiten er ook voor dat tegenstanders via dat doel geen punten meer bij jouw score kunnen optellen.
- Soft-tip
-
Pijlen met een plastic punt, meestal gebruikt op elektronische borden met gaatjes in het scoreoppervlak.
- Spider
-
Het draadframe dat de scoregebieden van het dartbord van elkaar scheidt.
- Startregel
-
De voorwaarde die bepaalt vanaf wanneer je pijlen bij X01 gaan scoren. Bij Straight-in telt je score meteen; voor Double-in heb je eerst een dubbel nodig en voor Master-in een dubbel of triple.
- Steel-tip
-
Pijlen met een metalen punt, bedoeld voor traditionele borden van samengeperste sisalvezels.
- Straight-in
-
Een startregel waarbij elke scorende pijl meteen telt. Je hebt geen dubbel nodig om te beginnen.
- Straight-out
-
Een eindregel waarbij je via elk scoregebied precies op nul mag uitkomen, waaronder een single, dubbel of triple.
- Switching
-
Van doel wisselen tijdens een beurt, bijvoorbeeld van naar .
T
W
X
- X01
-
De groep aftelspellen waartoe onder meer 301 en 501 behoren. Spelers trekken hun gegooide scores af en proberen precies op nul uit te komen.